In je beleid bepaal je ook aanvullend onderzoek nodig is. Anamnese en lichamelijk onderzoek vormen de basis van het klinisch onderzoek. In sommige gevallen is informatie uit anamnese en lichamelijk onderzoek niet voldoende om te kunnen bepalen wat het juiste beleid moet zijn (bijvoorbeeld welke behandeling nodig is). Je hebt dan vaak extra informatie nodig die je kan krijgen met aanvullend onderzoek.

De meest bekende vormen van aanvullend onderzoek zijn:

  • Laboratoriumonderzoek (bijvoorbeeld bloedonderzoek, urine-onderzoek);
  • Beeldvormend onderzoek (bijvoorbeeld. Röntgenfoto’s, CT-scan, MRI, hartfilmpje (ECG), echografie);

Afhankelijk van wat je wil weten (dit noemen we in de kliniek ‘vraagstelling’) kan je beredeneren welk aanvullend onderzoek relevant is.

Pas op voor de valkuil waarin je aanvullend onderzoek aanvraagt ‘omdat alle anderen dat ook altijd doen’. Je moet kunnen beredeneren waarom je in een bepaalde situatie een bepaald onderzoek nodig hebt. Vraag het gerust aan een collega als je niet goed begrijpt waarom een bepaald onderzoek wordt aangevraagd.

Soms bestaan meerdere soorten aanvullend onderzoek die je vraag kunnen beantwoorden Het is belangrijk dat je weet welk onderzoek het minst ‘belastend’ is voor de zorgvrager.

Voorbeeld:

Het is om bij een zwangere vrouw geen Röntgenfoto te maken als het niet perse nodig is. Röntgenstraling kan schadelijk zijn voor het ongeboren kindje. Misschien is het wel mogelijk om een echo te laten doen waarbij je de informatie die je wil óók kan achterhalen.

Ook is het belangrijk om rekening te houden met de kosten. Je kan beter een onderzoek aanvragen die minder duur is, als dit onderzoek niet schadelijker (belastender) is voor de zorgvrager en je hiermee dezelfde informatie kan krijgen.