Een belangrijk onderdeel van het klinisch redeneren is ‘begrijpen welke vragen je aan de zorgvrager moet stellen en waarom’. De vragen die je stelt aan de zorgvrager (anamnesevragen) heb je vaak via een lijstje aangeleerd, maar dat is niet voldoende. Vragen stellen doe je namelijk met een doel. Als je de vragen stelt omdat je er een bedoening mee hebt, zal dat de kwaliteit van je anamnese bevorderen. In deze methode richten we ons op twee belangrijke doelen van het stellen van vragen:
  1. Proberen erachter te komen wat de zorgvrager precies heeft (hypothesevorming);
  2. Bepalen of je met spoed actie moet ondernemen (urgentiebepaling).
Voorbeeld van hypothesevorming: Meneer van der Werf heeft al twee jaar last van bloed bij de ontlasting. Hij voelt zich verder goed en heeft geen pijn. Je vraagt of het bloed door de ontlasting heen zit, of juist als een dun laagje over de ontlasting. Meneer van der Werf vertelt dat het bloed inderdaad als een dun laagje over de ontlasting zit Het antwoord op een vraag kan je in een bepaalde richting doen denken. Hierdoor ga je vragen stellen die meer in deze richting passen. Bepaalde vragen die je kan stellen worden belangrijker dan andere vragen. Soms kom je pas na het stellen van meerdere vragen erachter dat je een idee begint te krijgen welke andere vragen je wil stellen. Daarom is het simpelweg oplezen van vragen uit een lijst geen goede manier om actief te bedenken wat relevant is. Als je net begint in de praktijk kan je vaak niet anders, want je hebt weinig ervaring. Probeer bij elke vraag die je stelt, te bedenken waarom je deze vraag stelt. Zo ontwikkel je snel een systeem om relevante vragen te stellen. Je kan dan gericht een hypothese vormen.