De algemene definitie van pijn zoals bepaald door de IASP is: “Een onplezierige sensorische en/of emotionele ervaring die in verband wordt gebracht met actuele of potentiële weefselbeschadiging, of in dergelijke termen wordt beschreven.” Het gaat om een ervaring, dus pijn is altijd subjectief. Bij het meten van pijn is het oordeel van de patiënt dan ook leidend, want alleen de patiënt kan aangeven of hij pijn ervaart. Bij hetzelfde letsel kunnen verschillende patiënten een aanzienlijk wisselende intensiteit van de pijn ervaren. Ook de fysieke en emotionele reacties van patiënten op pijn verschillen. Bij acute pijn valt bij fysieke reacties te denken aan symptomen zoals misselijkheid, duizelig worden, trillen, zweten, bewustzijnsverlies, benauwdheid en hyperventilatie. Bij chronische pijn ontbreken deze symptomen. Het uiten van emoties zoals verdriet, gelatenheid en wanhoop, gebeurt zowel als bij acute als chronische pijn. De pijnbeleving is dus individueel en subjectief en kan worden beïnvloed door meerdere factoren, namelijk:
  • lichamelijke factoren;
  • psychologische factoren;
  • omgevingsfactoren.
Het is van groot belang om uit te gaan van de pijnbeoordeling van de patiënt zelf, en niet van een eigen inschatting van de te verwachten pijn bij een bepaald letsel. Zorgverleners onderschatten pijn vaak, met name wanneer ze meer klinische ervaring hebben. Bij het beoordelen van de patiënt dient acute pijn te worden gezien als een ‘fifth vital sign’ (naast de bloeddruk, pols, temperatuur, ademhalingsfrequentie). Uit onderzoek is gebleken dat systematisch meten van de ernst van de pijn helpt bij:
  • het inzetten van de juiste behandeling;
  • het evalueren van het effect van de behandeling;
  • het verbeteren van de pijnbehandeling;
  • het voorkomen dat pijnstillers worden aangeboden aan patiënten die geen pijn (meer) ervaren.