Een belangrijk begrip bij het beoordelen van de ademhaling is dyspnoe. De definitie van dyspnoe (kortademigheid of benauwdheid) is “de bewuste ervaring van een verstoring van de ademhaling”, dus het gevoel dat de adem tekortschiet.

Dit kan erg beangstigd zijn voor de patiënt. Er is geen duidelijk verband tussen de zuurstofsaturatie en het gevoel van dyspnoe. Ook is de mate van de dyspnoe niet afhankelijk van de ernst van de oorzaak. 35% van de patiënten met kanker in de palliatieve fase heeft dyspnoe. Bij de patiënten met longkanker komt het zelfs bij 70% voor. Nog vaker wordt het gezien bij COPD (94%) en hartfalen (72%).

 

De dyspnoe kan het gevolg zijn van:

  • toename van ademarbeid bij dezelfde behoefte door bijvoorbeeld een obstructie;
  • zwakte van de ademhalingsspieren, bijvoorbeeld bij cachexie(lichamelijke zwakte) of ALS;
  • toegenomen behoefte aan zuurstof, zoals bij koorts of anemie;
  • Aandoeningen zoals kanker, astma en COPD;
  • complicaties van de ziekte, zoals een longembolie of pleuravocht (vocht achter de longen);
  • gevolgen van een behandeling;
  • comorbiditeit (bijvoorbeeld decompensatio cordis (hartfalen) en COPD).

Verder worden twee typen dyspneu onderscheiden:

  • dyspnoe d’effort: kortademigheid bij inspanning;
  • dyspnoe de repos: kortademigheid bij rust.